Mijn wiskundeboek en ik doen een wedstrijdje staren. Op dit moment ben ik aan de winnende hand. Ik weet dat ik goed ben, heel goed. Helaas weet ik dat ik me binnen korte tijd moet overgeven. Met de handen in de lucht en de staart tussen de poten achter mijn schild vandaan kruipen en keihard om genade roepen.
Ik zit hier al een heel tijdje op de vensterbank. Behaaglijk warm, in een dikke trui, boven de radiator. Mijn boek ligt recht tegenover me op de grond. Nog precies daar waar ik hem gister uit frustratie heb neergesmeten. Met mijn nagels tik ik alle mogelijke en onmogelijke ritmes op het metaal van de verwarming. Zo nu en dan leg ik mijn hand er even op, om hem vervolgens weer snel weg te trekken; de verwarming loeit drie slagen in de rondte.
Mijn wiskundeboek houdt het lang vol. Ik had ook niet anders verwacht. Hij is een professional, dat merk je wel. Hij heeft dit vaker gedaan. Vaker met mij. Op precies dezelfde manier. Vandaar dat ik weet dat ik uiteindelijk moet toegeven. Maar ik ga nog even door, ik geef me niet gauw gewonnen.
Mijn ooglid begint een beetje te trekken, één voor één trek ik mijn wenkbrauwen op om de spanning er enigsins af te halen. Mijn wiskundeboek verrekt geen spier. Het gaat hem makkelijk af. Zoals ik al zei: hij heeft dit vaker gedaan.
Langzaam begin ik zenuwachtig te worden. Mijn geweten speelt me parten. 'Wilmine, morgen is de wiskundeherkansing. Moet je niet aan het werk? Moet je niet hard aan de slag? Moet je geen examenopgaven oefenen? Had je niet alllang bezig moeten zijn? Ben je niet veel te laat begonnen?
Mijn wiskundeboek speelt vals. Flauw van hem om mijn geweten in te zetten, een gemene, lage truc. Maar, helaas, zo speelt hij zijn spelletje nou eenmaal. Hij kent me. Hij weet hoe hij me uiteindelijk op mijn knieen kan krijgen.
Uiteidelijk. Voorlopig nog niet, voorlopig zit ik hier nog wel, op de verwarming, een wedstrijdje te staren met mijn wiskunde boek.
dinsdag 29 november 2011
woensdag 23 november 2011
November
Een wollige deken van dikke mist verhinderde mijn zicht. Ik kon niet verder kijken dan tot de volgende lantaarnpaal. Als ik niet krampachtig mijn voorlamp omhoog hield, was ik al minstens vier keer tegen zo'n lantaarnpaal opgefietst.
De dikke mist brak het licht rond de lantarenpalen in een subtiel spectrum. Iedere lantaarnpaal bezat zijn eigen aureool, een lichtkrans, een 'halo'. Het was het enige dat ik duidelijk kon onderscheiden. Alsof de heilige twaalf langs de weg stonden om me te zegenen op weg naar wat ik ging doen. Van de rest van mijn omgeving vervaagden de contouren en zag ik niets dan schimmen.
Ik trapte gestaag door. Steeds opnieuw blies ik mijn warme adem in mijn eigen gezicht. Dit om te voorkomen dat het vocht in mijn neus zou bevriezen. Dat zou zo'n gedoe geven als ik thuis kwam. Ik zag er vast uit als een idioot, met mijn onderkaak zo ver naar voren gestoken.
Ik strekte mijn vingers, die ik al minstens een kwartier gespannen in een vuist hield. Meteen had ik er spijt van. De kou drong door dwars door mijn handschoenen heen. Ze waren gehaakt en de voering ontbrak. Had ik nou maar mijn wanten aan gedaan, mijn vingers moeten elkaar warm houden.
Hier en daar hing een tak over de weg, die ik vaak nog net op tijd kon ontwijken. Om de zoveel seconde knarste er een dennenappel onder mijn band, of een eikel, of een beukenootje.
Het was nog vroeg op de avond, al helemaal donker. Geen mens was op straat, althans, dat leek zo. Er was natuurlijk de mogelijkheid dat er zich iemand op meer dan tien meter afstand voor mij bevond. Die iemand was voor mij dan niet zichtbaar. Dus ik voelde me alleen. Wat nou als er zich vijftig mensen op straat bevonden, maar allemaal op tien meter afstand van elkaar? Niemand zou ook maar iemand kunnen zien. En iedereen voelde zich alleen.
Het miste al drie dagen. Koud was het nog maar net. September had alle warmterecords gebroken. Niemand had kunnen wennen aan de plotselinge kou en de mist weerhield de meeste mensen ervan naar buiten te gaan. Iedereen was bang voor de winter, geschrokken dat de dagen nu al zo lang duurden.
Ik was nog niet thuis. Thuis zou nog even op zich moeten laten wachten.
(wordt (misschien) vervolgd)
De dikke mist brak het licht rond de lantarenpalen in een subtiel spectrum. Iedere lantaarnpaal bezat zijn eigen aureool, een lichtkrans, een 'halo'. Het was het enige dat ik duidelijk kon onderscheiden. Alsof de heilige twaalf langs de weg stonden om me te zegenen op weg naar wat ik ging doen. Van de rest van mijn omgeving vervaagden de contouren en zag ik niets dan schimmen.
Ik trapte gestaag door. Steeds opnieuw blies ik mijn warme adem in mijn eigen gezicht. Dit om te voorkomen dat het vocht in mijn neus zou bevriezen. Dat zou zo'n gedoe geven als ik thuis kwam. Ik zag er vast uit als een idioot, met mijn onderkaak zo ver naar voren gestoken.
Ik strekte mijn vingers, die ik al minstens een kwartier gespannen in een vuist hield. Meteen had ik er spijt van. De kou drong door dwars door mijn handschoenen heen. Ze waren gehaakt en de voering ontbrak. Had ik nou maar mijn wanten aan gedaan, mijn vingers moeten elkaar warm houden.
Hier en daar hing een tak over de weg, die ik vaak nog net op tijd kon ontwijken. Om de zoveel seconde knarste er een dennenappel onder mijn band, of een eikel, of een beukenootje.
Het was nog vroeg op de avond, al helemaal donker. Geen mens was op straat, althans, dat leek zo. Er was natuurlijk de mogelijkheid dat er zich iemand op meer dan tien meter afstand voor mij bevond. Die iemand was voor mij dan niet zichtbaar. Dus ik voelde me alleen. Wat nou als er zich vijftig mensen op straat bevonden, maar allemaal op tien meter afstand van elkaar? Niemand zou ook maar iemand kunnen zien. En iedereen voelde zich alleen.
Het miste al drie dagen. Koud was het nog maar net. September had alle warmterecords gebroken. Niemand had kunnen wennen aan de plotselinge kou en de mist weerhield de meeste mensen ervan naar buiten te gaan. Iedereen was bang voor de winter, geschrokken dat de dagen nu al zo lang duurden.
Ik was nog niet thuis. Thuis zou nog even op zich moeten laten wachten.
(wordt (misschien) vervolgd)
dinsdag 22 november 2011
Lieve Sinterklaas
Sint Nicolaas zat dit jaar te denken
wat hij wilmine op 5 december zou schenken.
Hij dacht en dacht en dacht en dacht,
maar had na twee dagen nog niets bedacht.
Hij plukte en plukte aan zijn baard,
en vroeg uiteindelijk piet om raad.
Die Wilmine is zo'n geweldige, lieve, leuke meid,
Die verdient wel meer dan een kleinigheid.
Ze heeft ook zo haar best gedaan dit jaar,
met een chocoladeletter zijn we nog niet klaar.
Dus streek de sint eens goed over zijn hart,
en gaf Wilmine een nieuwe telefoon, een spiegelreflexcamera, een reisje naar New York een Louis Vuitton tas, een saunarrangement, een doos bonbons, een nieuwe fiets, een zinzi-ketting, vier paar nieuwe schoenen, een horloge, een Ipad, een rijbewijs, een concertkaartje voor The Script, een robot-afwasmachine-inruimer, en viermaal een voldoende voor wiskunde.
wat hij wilmine op 5 december zou schenken.
Hij dacht en dacht en dacht en dacht,
maar had na twee dagen nog niets bedacht.
Hij plukte en plukte aan zijn baard,
en vroeg uiteindelijk piet om raad.
Die Wilmine is zo'n geweldige, lieve, leuke meid,
Die verdient wel meer dan een kleinigheid.
Ze heeft ook zo haar best gedaan dit jaar,
met een chocoladeletter zijn we nog niet klaar.
Dus streek de sint eens goed over zijn hart,
en gaf Wilmine een nieuwe telefoon, een spiegelreflexcamera, een reisje naar New York een Louis Vuitton tas, een saunarrangement, een doos bonbons, een nieuwe fiets, een zinzi-ketting, vier paar nieuwe schoenen, een horloge, een Ipad, een rijbewijs, een concertkaartje voor The Script, een robot-afwasmachine-inruimer, en viermaal een voldoende voor wiskunde.
Abonneren op:
Posts (Atom)