Een wollige deken van dikke mist verhinderde mijn zicht. Ik kon niet verder kijken dan tot de volgende lantaarnpaal. Als ik niet krampachtig mijn voorlamp omhoog hield, was ik al minstens vier keer tegen zo'n lantaarnpaal opgefietst.
De dikke mist brak het licht rond de lantarenpalen in een subtiel spectrum. Iedere lantaarnpaal bezat zijn eigen aureool, een lichtkrans, een 'halo'. Het was het enige dat ik duidelijk kon onderscheiden. Alsof de heilige twaalf langs de weg stonden om me te zegenen op weg naar wat ik ging doen. Van de rest van mijn omgeving vervaagden de contouren en zag ik niets dan schimmen.
Ik trapte gestaag door. Steeds opnieuw blies ik mijn warme adem in mijn eigen gezicht. Dit om te voorkomen dat het vocht in mijn neus zou bevriezen. Dat zou zo'n gedoe geven als ik thuis kwam. Ik zag er vast uit als een idioot, met mijn onderkaak zo ver naar voren gestoken.
Ik strekte mijn vingers, die ik al minstens een kwartier gespannen in een vuist hield. Meteen had ik er spijt van. De kou drong door dwars door mijn handschoenen heen. Ze waren gehaakt en de voering ontbrak. Had ik nou maar mijn wanten aan gedaan, mijn vingers moeten elkaar warm houden.
Hier en daar hing een tak over de weg, die ik vaak nog net op tijd kon ontwijken. Om de zoveel seconde knarste er een dennenappel onder mijn band, of een eikel, of een beukenootje.
Het was nog vroeg op de avond, al helemaal donker. Geen mens was op straat, althans, dat leek zo. Er was natuurlijk de mogelijkheid dat er zich iemand op meer dan tien meter afstand voor mij bevond. Die iemand was voor mij dan niet zichtbaar. Dus ik voelde me alleen. Wat nou als er zich vijftig mensen op straat bevonden, maar allemaal op tien meter afstand van elkaar? Niemand zou ook maar iemand kunnen zien. En iedereen voelde zich alleen.
Het miste al drie dagen. Koud was het nog maar net. September had alle warmterecords gebroken. Niemand had kunnen wennen aan de plotselinge kou en de mist weerhield de meeste mensen ervan naar buiten te gaan. Iedereen was bang voor de winter, geschrokken dat de dagen nu al zo lang duurden.
Ik was nog niet thuis. Thuis zou nog even op zich moeten laten wachten.
(wordt (misschien) vervolgd)
leuk verhaaltje Wilmine, kenmerkend. (:
BeantwoordenVerwijderentoch nog één aanmerking.
het is het mistTe al drie dagen.
Gr Jesse B.
IK WIL EEN VERVOLG!!!
BeantwoordenVerwijderenxxx Jorine