Het waren de mooiste dagen van het jaar. Van die dagen dat
de voordeur de hele dag open stond. En als je dan vanuit de tuin het huis weer
inliep, dan was er altijd die zalige, verkoelende tocht. Het waren de dagen dat
de buurkinderen de hele dag in en uit liepen. Om een pleister te halen, of
ijsjes te ruilen. De buurvrouwen trouwens ook. Het waren van die dagen dat men
zomaar uit het niets besloot te gaan barbecueën, want, waarom niet? Die dagen
dat je in je stoel lag in plaats van zat, omdat je het jezelf voor het eerst
gunde de leuning naar achteren te doen. Je hoorde de wind in de boomtoppen
ruisen. Alleen in de boomtoppen, want tussen de schuttingen was het windstil.
Gelukkig maar, dacht je, of verdorie, als je verging van de hitte. Het waren
die dagen dat de insecten op de bladzijdes van je boek je meer interesseerden
dan het boek zelf. Dat spinnetje dat brutaal besloot tussen jouw benen en je
boek een web te gaan bouwen. En hoe je dan bedacht dat je nooit meer op zou
staan, om het web te sparen. Maar een tel later was je het alweer vergeten
omdat er vanuit het huis werd geroepen dat de ijsthee klaarstond. Met
ijsklontjes natuurlijk. Het waren de dagen dat je alles op blote voeten deed,
de hele dag. De hond uitlaten bijvoorbeeld, of even sinaasappelsap brengen naar
opa en oma aan het einde van de straat. En misschien trapte je wel drie keer in
een doorn of een puntig steentje, maar dat maakte helemaal geen fluit uit, je
liep fluitend verder. Het waren de dagen dat je intens verlangde naar een
hangmat. Zo’n grote gekleurde waar je helemaal in kon verdwijnen. En waar je
eindeloos in kon schommelen zodat je je waande dat je een piraat was midden op
de Atlantische oceaan. Maar je ouders wilden er niet aan. Het waren de dagen
dat je vergat je voeten te wassen als je ‘s avonds voldaan en natintelend van
de scherpe zon in bed lag, daar dacht je gewoon niet aan. Je merkte dan dat je
verbrand was en je ging op je buik liggen om je rug te ontzien. Tevreden viel
je in slaap, de hittegolf zou nog een week duren.
maandag 28 mei 2012
donderdag 3 mei 2012
Ik vroeg het hem zo lief
Ik heb het hem wel eens gevraagd hoor, de dag. Of hij misschien iets langer wilde duren. Hij is alleen erg koppig, hij heeft nooit geluisterd. Hij heeft het zelfs nooit geprobeerd. Vaak liet hij me niet eens uitpraten. Dan ging hij al heftig neeschuddend met zijn armen over elkaar zitten voordat ik ook maar mijn zin had afgemaakt. En als ik dan toch doorvroeg, stak hij zijn vingers in zijn oren en begon hij hard blablabla te roepen. Hij nam me niet serieus, terwijl ik het toch echt wel zo bedoelde. Soms heb ik gewoon iets meer tijd nodig voor de dingen die ik doe, maar de dag is koppig, en geeft nooit toe.
Overmorgen trouwens ook niet. Die komt nooit eerder dichterbij. Ik vroeg het best lief, al zeg ik het zelf, maar hij werkte niet mee. Overmorgen komt nooit eerder. Ik heb mijn plan om het over-overmorgen te vragen, maar opgegeven. Ze zijn van hetzelfde soort, dus de koppigheid zal wel in de familie zitten.
Gisteren wel, en eergisteren al helemaal. Die schikken zich volledig naar je wensen. Ik hoef maar te wijzen en ze doen wat ik wil. Die hoef ik niet te paaien, lieve woordjes zijn niet nodig. Als ik ze vraag of ze langer of korter wilden duren, dan doen ze dat. Daar doen ze niet moeilijk over. Sommige herinneringen mogen ellenlang duren, anderen heb ik liever in seconden.
Ik denk dat ze dat wel geleerd hebben na al die jaren. Als alles evenlang moest duren, werden onze herinneringen zo zwaar. Sorteren, scheiden, splitsen op wat je wel en niet lang wil laten duren, maakt dat wat me meezeulen lichter. Al snap ik vandaag morgen en overmorgen ook wel hoor. Als ze moesten voldoen aan alle eisen van alle mensen, dan waren ze de hele dag aan het inkrimpen en uitzetten. Logisch. Maar toch, ik vroeg het zo lief...
Overmorgen trouwens ook niet. Die komt nooit eerder dichterbij. Ik vroeg het best lief, al zeg ik het zelf, maar hij werkte niet mee. Overmorgen komt nooit eerder. Ik heb mijn plan om het over-overmorgen te vragen, maar opgegeven. Ze zijn van hetzelfde soort, dus de koppigheid zal wel in de familie zitten.
Gisteren wel, en eergisteren al helemaal. Die schikken zich volledig naar je wensen. Ik hoef maar te wijzen en ze doen wat ik wil. Die hoef ik niet te paaien, lieve woordjes zijn niet nodig. Als ik ze vraag of ze langer of korter wilden duren, dan doen ze dat. Daar doen ze niet moeilijk over. Sommige herinneringen mogen ellenlang duren, anderen heb ik liever in seconden.
Ik denk dat ze dat wel geleerd hebben na al die jaren. Als alles evenlang moest duren, werden onze herinneringen zo zwaar. Sorteren, scheiden, splitsen op wat je wel en niet lang wil laten duren, maakt dat wat me meezeulen lichter. Al snap ik vandaag morgen en overmorgen ook wel hoor. Als ze moesten voldoen aan alle eisen van alle mensen, dan waren ze de hele dag aan het inkrimpen en uitzetten. Logisch. Maar toch, ik vroeg het zo lief...
woensdag 28 maart 2012
Silhouet
Silhouet
Als jij nou eens daar ging staan,
En zus deed
en zo.
En zus deed
en zo.
En je arm,
nee niet zo,
daar ja.
nee niet zo,
daar ja.
Dan keek ik toe,
vanaf hier,
om te zuchten,
vanaf hier,
om te zuchten,
Zo mooi
Wilmine
Wilmine
dinsdag 27 maart 2012
Ik kan nog steeds niet vliegen
´Hoe gaat het met je?´
´Mjoah, soms wel, soms niet... Ik kan nog steeds niet vliegen.´
´Oh met mij ook w... huh, wacht, wat zei je?´
´Dat ik nog steeds niet kan vliegen.´
´Oh..´
´Ja, en mijn vliegfiets heb ik uitgeleend.´
´Vliegfiets? Uhm, oh, ja dat is lastig,´
´Ja, dat klopt, dat klopt inderdaad.´
(En toen liep hij fluitend weg)
´Mjoah, soms wel, soms niet... Ik kan nog steeds niet vliegen.´
´Oh met mij ook w... huh, wacht, wat zei je?´
´Dat ik nog steeds niet kan vliegen.´
´Oh..´
´Ja, en mijn vliegfiets heb ik uitgeleend.´
´Vliegfiets? Uhm, oh, ja dat is lastig,´
´Ja, dat klopt, dat klopt inderdaad.´
(En toen liep hij fluitend weg)
maandag 26 maart 2012
Ik hoor er eigenlijk bang voor te zijn
Ze hebben het vaak geprobeerd. Dan kwamen ze op me af lopen met hun handen gesloten in een bol. Of lieten ze me komen naar een uithoek van het huis. Dan vroegen ze me of ik dit even wilde aanschouwen. Om vervolgens met een ruk hun handen te openen, of te wijzen op dat wat er in de hoek zat.
Altijd hield ik mijn hart vast, in afwachting van het opdoemen van iets waar ik vreselijk van zou schrikken.
Maar altijd was het niet meer dan een spin. Dan trok ik mijn wenkbrauwen op, bracht mij hart tot het normale ritme, slaakte een diepe zucht, en zei: sorry, maar ik ben niet bang voor spinnen. Geen gil, geen hysterisch geschreeuw. Ik rende niet weg, ik kantelde alleen mijn hoofd.
Dan liepen de jongens teleurgesteld weg. Al was die teleurstelling niet voor lang, er werd meteen jacht gemaakt op een volgend slachtoffer.
Tja, ik schijn nu eenmaal een meisje te zijn dat bang hoort te zijn voor spinnen. Alle meisjes zijn bang voor spinnen. Ik ben een typisch meisje dus ik hoor bang te zijn voor spinnen. Dat denken ze. Ik ben het alleen niet, nooit geweest. Ik voldoe niet aan die verwachting.
Niet dat ik dat erg vind, nee hoor. Maar altijd als iemand me laat geloven dat ik iets gruwelijks ga zien, iets verschikkelijk, iets afschrikwekkends, valt het mee, haal ik mijn schouders op en zeg dat ik er niet bang voor ben.
Ik hoop dat ik ook zo ga reageren als ik daadwerkelijk iets meemaak wat ik niet hoor te kunnen verdragen.
Altijd hield ik mijn hart vast, in afwachting van het opdoemen van iets waar ik vreselijk van zou schrikken.
Maar altijd was het niet meer dan een spin. Dan trok ik mijn wenkbrauwen op, bracht mij hart tot het normale ritme, slaakte een diepe zucht, en zei: sorry, maar ik ben niet bang voor spinnen. Geen gil, geen hysterisch geschreeuw. Ik rende niet weg, ik kantelde alleen mijn hoofd.
Dan liepen de jongens teleurgesteld weg. Al was die teleurstelling niet voor lang, er werd meteen jacht gemaakt op een volgend slachtoffer.
Tja, ik schijn nu eenmaal een meisje te zijn dat bang hoort te zijn voor spinnen. Alle meisjes zijn bang voor spinnen. Ik ben een typisch meisje dus ik hoor bang te zijn voor spinnen. Dat denken ze. Ik ben het alleen niet, nooit geweest. Ik voldoe niet aan die verwachting.
Niet dat ik dat erg vind, nee hoor. Maar altijd als iemand me laat geloven dat ik iets gruwelijks ga zien, iets verschikkelijk, iets afschrikwekkends, valt het mee, haal ik mijn schouders op en zeg dat ik er niet bang voor ben.
Ik hoop dat ik ook zo ga reageren als ik daadwerkelijk iets meemaak wat ik niet hoor te kunnen verdragen.
vrijdag 23 maart 2012
Groeilicht (2)
En dan opeens is het genoeg. Dan wensen we niets meer. We sluiten onze ogen, heffen ons gezicht op en wenden het, zoals een plant zijn bloemen bijstuurt, richting de zon. Dan kunnen we uren zitten, niets doen. Simpelweg genieten van de zonnestralen, die na een lange winter ineens veel meer leven geven. Diep intens zuchten, zitten, het licht door onze porien naar binnen zuigen. Bergen lijken heuvels, dalen lijken kommen. En alles waar je druk mee bezig was, houdt zich stil. Zonlicht stelt uit.
Stel je eens voor. Midden in de kamer.Winter. Iemand heft zijn hoofd op naar het licht, sluit zijn ogen en doet verder niets. Wat doe je, is algauw de reactie en merkwaardige blikken worden je kant op gestuurd. Niemand zit normaalgesproken met zijn ogen dicht en zijn hoofd opgeheven, we hebben wel wat beters te doen. Maar wanneer de lente in aantocht is, wanneer de zon zijn gezicht weer laat zien, dan doen we het ineens allemaal.
Dan is het genoeg. We wensen niets meer.
Stel je eens voor. Midden in de kamer.Winter. Iemand heft zijn hoofd op naar het licht, sluit zijn ogen en doet verder niets. Wat doe je, is algauw de reactie en merkwaardige blikken worden je kant op gestuurd. Niemand zit normaalgesproken met zijn ogen dicht en zijn hoofd opgeheven, we hebben wel wat beters te doen. Maar wanneer de lente in aantocht is, wanneer de zon zijn gezicht weer laat zien, dan doen we het ineens allemaal.
Dan is het genoeg. We wensen niets meer.
zondag 11 maart 2012
Groeilicht
En de zon scheen. En de vogeltjes floten. En de krokusjes waren vanochtend heel brutaal. Veel brutaler dan gisteren. En met de minuut werden mijn sproeten helderder, en met de minuut, mijn gedachten. En de in elkaar gedoken mensen van drie weken terug waren verdwenen. Nu liepen ze fier, rechtop en vrij, want de warmte had het kille verdrongen en gaf de mensen weer ruimte. Nee, het was nog geen lente. En ja, het waren fracties van seconden, wolken lieten alles bij het oude. Maar het licht dat zo nu en dan tussen de wolken scheen was anders, nieuw, lichter: het was groeilicht. Het licht had een ommekeer gemaakt. Ik merkte het al sinds eergisteren. De dingen zagen anders aan, ze waren klaarder, doorzichtig.
Net als jij. Jij verraste me steeds. Met de minuut leek je nieuw, een ander persoon, maar toch, dezelfde. Over je lippen kwamen woorden die ik niet kende, niet van jou, niet van mij. Uit je handen kwamen dingen die ik niet eerder gezien had. Ik was blijverrast, maar ook verbaasd. Want ik vertrouwde, ik deed niets anders. En steeds, steeds als ik je opnieuw leerde kennen, maakte mijn hart een sprongetje. Want dat doet het met je. Het maakt dingen nieuw. Het is het groeilicht.
Net als jij. Jij verraste me steeds. Met de minuut leek je nieuw, een ander persoon, maar toch, dezelfde. Over je lippen kwamen woorden die ik niet kende, niet van jou, niet van mij. Uit je handen kwamen dingen die ik niet eerder gezien had. Ik was blijverrast, maar ook verbaasd. Want ik vertrouwde, ik deed niets anders. En steeds, steeds als ik je opnieuw leerde kennen, maakte mijn hart een sprongetje. Want dat doet het met je. Het maakt dingen nieuw. Het is het groeilicht.
dinsdag 14 februari 2012
Valentijsdag
De deurbel ging. Verrast stond ik op van de bank, liet mijn thee en butterkekje voor wat ze waren en liep nieuwsgierig naar de deur.
Toen ik door het kijkgaatje keek, was er niets te zien. Ik keek naar rechts, ik keek naar links, naar boven en onder, maar op woeiende struiken en een paar drupjes regen na, was er niets te zien. Ik haalde mijn schouders op, en zette mijn theekopje weer aan mijn lippen.
Weer ging de deurbel. Ik stond geduldig op liep wederom naar de deur en opende deze dit keer. Nieuwsgierig stak ik mijn hoofd om de hoek. Niets te zien. Ik keek opnieuw naar links, naar rechts, boven en onder, maar zag, op de vertrouwde groene straatlantaarn en een kat met een belletje na, niets nieuws.
Verbaasd liep ik terug. Was dit een grapje? Waren mijn buurjongetjes soms aan het belletjelellen? Ik sopte verder in mijn thee, maar besloot algauw achter de deur te gaan staan. Wachtend tot de bel opnieuw zou rinkelen.
En ja hoor, niet lang daarna ging de bel opnieuw. Ik gooide met een wilde zwaai de deur open, hoorde een klein gilletje, en keek met woeste ogen naar dat wat zich op de deurmat bevond.
Het was omgevallen, dook bibberend in elkaar en riep zachtjes:'doe me geen pijn, alstjeblieft'.
Meteen sloeg mijn boosheid om in vertedering. Ik hurkte naast het hoopje neer, en zei: 'oh wees maar niet bang, lust je een kopje honingthee? Ik was net mijn biscuitje aan het soppen'.
Na deze woorden, frommelde het hoopje zich langzaam uit. Ik werd steeds nieuwsgieriger. Wat lag er zo plotseling voor mijn deur? Wie belde er drie keer aan en stoorde mij tijdens mijn theetijd? Stukje bij beetje werd ze zichtbaar.
Ze was een bosje rozen. Een klein schattig bosje van tien rode roosjes. Compleet met strikje en al, maar erg verlegen. Met een lief glimlachje keek ze me aan: 'ik ben gek op biscuitjes!'
Ik nam haar mee naar binnen, gaf haar een mooi plekje midden op de salontafel, schonk twee nieuwe kopjes thee in, want die van mij was ondertussen koud geworden.
Ik probeerde uit haar te krijgen, door wie ze was gestuurd, maar dat wilde ze niet zeggen. Dan moest ik maar op het kaartje kijken, en ze slurpte aan haar honigthee.
('s Avonds, toen ze sliep, ben ik stiekem gaan kijken zonder haar wakker te maken. Nu weet ik wie haar heeft gestuurd.)
Toen ik door het kijkgaatje keek, was er niets te zien. Ik keek naar rechts, ik keek naar links, naar boven en onder, maar op woeiende struiken en een paar drupjes regen na, was er niets te zien. Ik haalde mijn schouders op, en zette mijn theekopje weer aan mijn lippen.
Weer ging de deurbel. Ik stond geduldig op liep wederom naar de deur en opende deze dit keer. Nieuwsgierig stak ik mijn hoofd om de hoek. Niets te zien. Ik keek opnieuw naar links, naar rechts, boven en onder, maar zag, op de vertrouwde groene straatlantaarn en een kat met een belletje na, niets nieuws.
Verbaasd liep ik terug. Was dit een grapje? Waren mijn buurjongetjes soms aan het belletjelellen? Ik sopte verder in mijn thee, maar besloot algauw achter de deur te gaan staan. Wachtend tot de bel opnieuw zou rinkelen.
En ja hoor, niet lang daarna ging de bel opnieuw. Ik gooide met een wilde zwaai de deur open, hoorde een klein gilletje, en keek met woeste ogen naar dat wat zich op de deurmat bevond.
Het was omgevallen, dook bibberend in elkaar en riep zachtjes:'doe me geen pijn, alstjeblieft'.
Meteen sloeg mijn boosheid om in vertedering. Ik hurkte naast het hoopje neer, en zei: 'oh wees maar niet bang, lust je een kopje honingthee? Ik was net mijn biscuitje aan het soppen'.
Na deze woorden, frommelde het hoopje zich langzaam uit. Ik werd steeds nieuwsgieriger. Wat lag er zo plotseling voor mijn deur? Wie belde er drie keer aan en stoorde mij tijdens mijn theetijd? Stukje bij beetje werd ze zichtbaar.
Ze was een bosje rozen. Een klein schattig bosje van tien rode roosjes. Compleet met strikje en al, maar erg verlegen. Met een lief glimlachje keek ze me aan: 'ik ben gek op biscuitjes!'
Ik nam haar mee naar binnen, gaf haar een mooi plekje midden op de salontafel, schonk twee nieuwe kopjes thee in, want die van mij was ondertussen koud geworden.
Ik probeerde uit haar te krijgen, door wie ze was gestuurd, maar dat wilde ze niet zeggen. Dan moest ik maar op het kaartje kijken, en ze slurpte aan haar honigthee.
('s Avonds, toen ze sliep, ben ik stiekem gaan kijken zonder haar wakker te maken. Nu weet ik wie haar heeft gestuurd.)
maandag 13 februari 2012
Hoe het voelt om beroemd te zijn
Niets vermoedend stond ik snotterend achter de kassa in de drogisterij. Verkouden in een drogisterij, hoe ironisch is dat.
Ik ben voor de mensen het kassameisje. 'Aardige meid hoor! Leuk koppie! Altijd vriendelijk.' Mensen weten mijn naam niet. Ik die van hen ook niet. Maar mensen helpen zonder naam is altijd even leuk.
Pas liep er een jonge vrouw naar binnen. Toen ze een poosje voor het lippenbalsemrek had gestaan, want oh er zijn zoveel soorten en wil ik er nou ééntje met of zonder smaakje, kwam ze afrekenen.
Ik haalde de twee lippenbalsems langs de scanner en gaf haar het wisselgeld terug.
'Hee, zei ze, speel jij toevallig piano?' Ik keek verbaasd op. 'Ik zag een filmpje op facebook van een gemeenschappelijke vriend, en ik vond het zo ontzettend mooi! Ik heb even verder geklikt naar je profiel, en volgens mij ben jij dat, klopt dat? '
Ik voelde dat ik een beetje rood werd. 'Oh, ja, dat ben ik', zei ik stamelend, 'wat gaaf dat je het gaaf vond! We hadden een negen...'
'Echt? Zeker verdiend! Ik was ook zo onder de indruk! Echt heel mooi gedaan.'
Beduusd bleef ik achter.
De eerste persoon ooit die me herkent vanwege mijn muziek. Ik kreeg vlinders in mijn buik. Aah zo voelt dat dus. Morgen komt ze vast terug voor een handtekening.
Ik ben voor de mensen het kassameisje. 'Aardige meid hoor! Leuk koppie! Altijd vriendelijk.' Mensen weten mijn naam niet. Ik die van hen ook niet. Maar mensen helpen zonder naam is altijd even leuk.
Pas liep er een jonge vrouw naar binnen. Toen ze een poosje voor het lippenbalsemrek had gestaan, want oh er zijn zoveel soorten en wil ik er nou ééntje met of zonder smaakje, kwam ze afrekenen.
Ik haalde de twee lippenbalsems langs de scanner en gaf haar het wisselgeld terug.
'Hee, zei ze, speel jij toevallig piano?' Ik keek verbaasd op. 'Ik zag een filmpje op facebook van een gemeenschappelijke vriend, en ik vond het zo ontzettend mooi! Ik heb even verder geklikt naar je profiel, en volgens mij ben jij dat, klopt dat? '
Ik voelde dat ik een beetje rood werd. 'Oh, ja, dat ben ik', zei ik stamelend, 'wat gaaf dat je het gaaf vond! We hadden een negen...'
'Echt? Zeker verdiend! Ik was ook zo onder de indruk! Echt heel mooi gedaan.'
Beduusd bleef ik achter.
De eerste persoon ooit die me herkent vanwege mijn muziek. Ik kreeg vlinders in mijn buik. Aah zo voelt dat dus. Morgen komt ze vast terug voor een handtekening.
( Met twee anderen, voor ons eindexamenmuziek, een compositie gemaakt met de naam 'luchtledig'. Het stelt het 'happen naar adem' voor. Stiekem ben ik er een beetje trots op)
zaterdag 11 februari 2012
Gadeslaan
Hij zat in de trein schuin tegenover me. We zaten buiten de klapdeuren van de reguliere coupé op uitklapbare bankjes. Met z'n vieren overbevolkten we de minimale ruimte die voor deze ondingen beschikbaar gesteld was. Mijn knieen en die van wildvreemden vormden om en om een ritssluiting. Wie er naast me zat, weet ik niet meer. Wie er tegenover me zat, geen idee. Ik herinner me alleen de man schuin tegenover me.
Het was een kleine, maar forse man. Zijn hoofd was net iets te groot voor de rest van zijn lichaam en leek opgeblazen. Vol met zorgen, plichten en verantwoordelijkheden. Diepe rimpels tekenden zijn voorhoofd, zijn frons bleek chronisch. Zijn haar was niets meer dan hier en daar wat korte blonde sprieten .Hij was kaal, toch schatte ik hem niet ouder dan een jaar of vijfentwintig. Zijn ogen lagen begraven in opgehoopt vocht, waren rood, en tuurden geconcentreerd naar een klein boekje dat hij in handen had. Krampachtig hield hij het omhoog met dikke, worstige vingers. Nagels had hij nauwelijks. Zo nu en dan bracht hij zijn vingers naar zijn mond. Even later liet hij ze weer zakken, er was niets te kluiven.
'Romeinsrechterlijke grondslagen van het Nederlands privaatrecht.' De titel van het boekje waarin hij fanatiek woorden en delen van zinnen onderstreepte. Hij moest het onthouden. Ik herkende de paniekerige manier van leren en had met hem te doen. De uiteinden van de pagina's waren groezelig, hier en daar omgevouwen tot ezelsoren. Ik bespeurde koffievlekken op de onderkant. Met een balpen bewerkte hij deze pagina's: Van Barenburg Loopbaanadviesbureau.
Schichtig las hij losse woorden. Zijn ogen flitsten heen en weer, maar kwamen niet van het papier. Hij keek niet op of om. Niet één keer hief hij zijn hoofd om het gelaat van de mensen die zo akelig dichtbij zaten, te dichtbij voor wie dan ook om zich nog op zijn gemak te voelen, in zich op te nemen. Ik vroeg mezelf af of hij dat in het dagelijks leven wel zou doen, of deed, of had gedaan, zich verdiepen in mensen.
Bij het volgende station stapte hij uit. Nog steeds zonder te weten wie er met hem in dat benauwde hokje zaten. Zijn boek bleef het middelpunt. Zelfs de riggel tussen trein en perron die die door de meeste mensen als onoverbrugbaar wordt ervaren, zette hem er niet toe zijn ogen van het papier te halen.
Ik hoopte dat hij een ander leven buiten de trein zou hebben. Anders dan hoe ik hem in dat kwartier had leren kennen. Ik nam mijzelf voor nooit zo wanhopig te worden als hij.
Het was een kleine, maar forse man. Zijn hoofd was net iets te groot voor de rest van zijn lichaam en leek opgeblazen. Vol met zorgen, plichten en verantwoordelijkheden. Diepe rimpels tekenden zijn voorhoofd, zijn frons bleek chronisch. Zijn haar was niets meer dan hier en daar wat korte blonde sprieten .Hij was kaal, toch schatte ik hem niet ouder dan een jaar of vijfentwintig. Zijn ogen lagen begraven in opgehoopt vocht, waren rood, en tuurden geconcentreerd naar een klein boekje dat hij in handen had. Krampachtig hield hij het omhoog met dikke, worstige vingers. Nagels had hij nauwelijks. Zo nu en dan bracht hij zijn vingers naar zijn mond. Even later liet hij ze weer zakken, er was niets te kluiven.
'Romeinsrechterlijke grondslagen van het Nederlands privaatrecht.' De titel van het boekje waarin hij fanatiek woorden en delen van zinnen onderstreepte. Hij moest het onthouden. Ik herkende de paniekerige manier van leren en had met hem te doen. De uiteinden van de pagina's waren groezelig, hier en daar omgevouwen tot ezelsoren. Ik bespeurde koffievlekken op de onderkant. Met een balpen bewerkte hij deze pagina's: Van Barenburg Loopbaanadviesbureau.
Schichtig las hij losse woorden. Zijn ogen flitsten heen en weer, maar kwamen niet van het papier. Hij keek niet op of om. Niet één keer hief hij zijn hoofd om het gelaat van de mensen die zo akelig dichtbij zaten, te dichtbij voor wie dan ook om zich nog op zijn gemak te voelen, in zich op te nemen. Ik vroeg mezelf af of hij dat in het dagelijks leven wel zou doen, of deed, of had gedaan, zich verdiepen in mensen.
Bij het volgende station stapte hij uit. Nog steeds zonder te weten wie er met hem in dat benauwde hokje zaten. Zijn boek bleef het middelpunt. Zelfs de riggel tussen trein en perron die die door de meeste mensen als onoverbrugbaar wordt ervaren, zette hem er niet toe zijn ogen van het papier te halen.
Ik hoopte dat hij een ander leven buiten de trein zou hebben. Anders dan hoe ik hem in dat kwartier had leren kennen. Ik nam mijzelf voor nooit zo wanhopig te worden als hij.
Abonneren op:
Posts (Atom)