maandag 28 mei 2012

Hittegolf


Het waren de mooiste dagen van het jaar. Van die dagen dat de voordeur de hele dag open stond. En als je dan vanuit de tuin het huis weer inliep, dan was er altijd die zalige, verkoelende tocht. Het waren de dagen dat de buurkinderen de hele dag in en uit liepen. Om een pleister te halen, of ijsjes te ruilen. De buurvrouwen trouwens ook. Het waren van die dagen dat men zomaar uit het niets besloot te gaan barbecueën, want, waarom niet? Die dagen dat je in je stoel lag in plaats van zat, omdat je het jezelf voor het eerst gunde de leuning naar achteren te doen. Je hoorde de wind in de boomtoppen ruisen. Alleen in de boomtoppen, want tussen de schuttingen was het windstil. Gelukkig maar, dacht je, of verdorie, als je verging van de hitte. Het waren die dagen dat de insecten op de bladzijdes van je boek je meer interesseerden dan het boek zelf. Dat spinnetje dat brutaal besloot tussen jouw benen en je boek een web te gaan bouwen. En hoe je dan bedacht dat je nooit meer op zou staan, om het web te sparen. Maar een tel later was je het alweer vergeten omdat er vanuit het huis werd geroepen dat de ijsthee klaarstond. Met ijsklontjes natuurlijk. Het waren de dagen dat je alles op blote voeten deed, de hele dag. De hond uitlaten bijvoorbeeld, of even sinaasappelsap brengen naar opa en oma aan het einde van de straat. En misschien trapte je wel drie keer in een doorn of een puntig steentje, maar dat maakte helemaal geen fluit uit, je liep fluitend verder. Het waren de dagen dat je intens verlangde naar een hangmat. Zo’n grote gekleurde waar je helemaal in kon verdwijnen. En waar je eindeloos in kon schommelen zodat je je waande dat je een piraat was midden op de Atlantische oceaan. Maar je ouders wilden er niet aan. Het waren de dagen dat je vergat je voeten te wassen als je ‘s avonds voldaan en natintelend van de scherpe zon in bed lag, daar dacht je gewoon niet aan. Je merkte dan dat je verbrand was en je ging op je buik liggen om je rug te ontzien. Tevreden viel je in slaap, de hittegolf zou nog een week duren.

donderdag 3 mei 2012

Ik vroeg het hem zo lief

Ik heb het hem wel eens gevraagd hoor, de dag. Of hij misschien iets langer wilde duren. Hij is alleen erg koppig, hij heeft nooit geluisterd. Hij heeft het zelfs nooit geprobeerd. Vaak liet hij me niet eens uitpraten. Dan ging hij al heftig neeschuddend met zijn armen over elkaar zitten voordat ik ook maar mijn zin had afgemaakt. En als ik dan toch doorvroeg, stak hij zijn vingers in zijn oren en begon hij hard blablabla te roepen. Hij nam me niet serieus, terwijl ik het toch echt wel zo bedoelde. Soms heb ik gewoon iets meer tijd nodig voor de dingen die ik doe, maar de dag is koppig, en geeft nooit toe.
Overmorgen trouwens ook niet. Die komt nooit eerder dichterbij. Ik vroeg het best lief, al zeg ik het zelf, maar hij werkte niet mee. Overmorgen komt nooit eerder. Ik heb mijn plan om het over-overmorgen te vragen, maar opgegeven. Ze zijn van hetzelfde soort, dus de koppigheid zal wel in de familie zitten.
Gisteren wel, en eergisteren al helemaal. Die schikken zich volledig naar je wensen. Ik hoef maar te wijzen en ze doen wat ik wil. Die hoef ik niet te paaien, lieve woordjes zijn niet nodig. Als ik ze vraag of ze langer of korter wilden duren, dan doen ze dat. Daar doen ze niet moeilijk over. Sommige herinneringen mogen ellenlang duren, anderen heb ik liever in seconden.
Ik denk dat ze dat wel geleerd hebben na al die jaren. Als alles evenlang moest duren, werden onze herinneringen zo zwaar. Sorteren, scheiden, splitsen op wat je wel en niet lang wil laten duren, maakt dat wat me meezeulen lichter. Al snap ik vandaag morgen en overmorgen ook wel hoor. Als ze moesten voldoen aan alle eisen van alle mensen, dan waren ze de hele dag aan het inkrimpen en uitzetten. Logisch. Maar toch, ik vroeg het zo lief...