De deurbel ging. Verrast stond ik op van de bank, liet mijn thee en butterkekje voor wat ze waren en liep nieuwsgierig naar de deur.
Toen ik door het kijkgaatje keek, was er niets te zien. Ik keek naar rechts, ik keek naar links, naar boven en onder, maar op woeiende struiken en een paar drupjes regen na, was er niets te zien. Ik haalde mijn schouders op, en zette mijn theekopje weer aan mijn lippen.
Weer ging de deurbel. Ik stond geduldig op liep wederom naar de deur en opende deze dit keer. Nieuwsgierig stak ik mijn hoofd om de hoek. Niets te zien. Ik keek opnieuw naar links, naar rechts, boven en onder, maar zag, op de vertrouwde groene straatlantaarn en een kat met een belletje na, niets nieuws.
Verbaasd liep ik terug. Was dit een grapje? Waren mijn buurjongetjes soms aan het belletjelellen? Ik sopte verder in mijn thee, maar besloot algauw achter de deur te gaan staan. Wachtend tot de bel opnieuw zou rinkelen.
En ja hoor, niet lang daarna ging de bel opnieuw. Ik gooide met een wilde zwaai de deur open, hoorde een klein gilletje, en keek met woeste ogen naar dat wat zich op de deurmat bevond.
Het was omgevallen, dook bibberend in elkaar en riep zachtjes:'doe me geen pijn, alstjeblieft'.
Meteen sloeg mijn boosheid om in vertedering. Ik hurkte naast het hoopje neer, en zei: 'oh wees maar niet bang, lust je een kopje honingthee? Ik was net mijn biscuitje aan het soppen'.
Na deze woorden, frommelde het hoopje zich langzaam uit. Ik werd steeds nieuwsgieriger. Wat lag er zo plotseling voor mijn deur? Wie belde er drie keer aan en stoorde mij tijdens mijn theetijd? Stukje bij beetje werd ze zichtbaar.
Ze was een bosje rozen. Een klein schattig bosje van tien rode roosjes. Compleet met strikje en al, maar erg verlegen. Met een lief glimlachje keek ze me aan: 'ik ben gek op biscuitjes!'
Ik nam haar mee naar binnen, gaf haar een mooi plekje midden op de salontafel, schonk twee nieuwe kopjes thee in, want die van mij was ondertussen koud geworden.
Ik probeerde uit haar te krijgen, door wie ze was gestuurd, maar dat wilde ze niet zeggen. Dan moest ik maar op het kaartje kijken, en ze slurpte aan haar honigthee.
('s Avonds, toen ze sliep, ben ik stiekem gaan kijken zonder haar wakker te maken. Nu weet ik wie haar heeft gestuurd.)
dinsdag 14 februari 2012
maandag 13 februari 2012
Hoe het voelt om beroemd te zijn
Niets vermoedend stond ik snotterend achter de kassa in de drogisterij. Verkouden in een drogisterij, hoe ironisch is dat.
Ik ben voor de mensen het kassameisje. 'Aardige meid hoor! Leuk koppie! Altijd vriendelijk.' Mensen weten mijn naam niet. Ik die van hen ook niet. Maar mensen helpen zonder naam is altijd even leuk.
Pas liep er een jonge vrouw naar binnen. Toen ze een poosje voor het lippenbalsemrek had gestaan, want oh er zijn zoveel soorten en wil ik er nou ééntje met of zonder smaakje, kwam ze afrekenen.
Ik haalde de twee lippenbalsems langs de scanner en gaf haar het wisselgeld terug.
'Hee, zei ze, speel jij toevallig piano?' Ik keek verbaasd op. 'Ik zag een filmpje op facebook van een gemeenschappelijke vriend, en ik vond het zo ontzettend mooi! Ik heb even verder geklikt naar je profiel, en volgens mij ben jij dat, klopt dat? '
Ik voelde dat ik een beetje rood werd. 'Oh, ja, dat ben ik', zei ik stamelend, 'wat gaaf dat je het gaaf vond! We hadden een negen...'
'Echt? Zeker verdiend! Ik was ook zo onder de indruk! Echt heel mooi gedaan.'
Beduusd bleef ik achter.
De eerste persoon ooit die me herkent vanwege mijn muziek. Ik kreeg vlinders in mijn buik. Aah zo voelt dat dus. Morgen komt ze vast terug voor een handtekening.
Ik ben voor de mensen het kassameisje. 'Aardige meid hoor! Leuk koppie! Altijd vriendelijk.' Mensen weten mijn naam niet. Ik die van hen ook niet. Maar mensen helpen zonder naam is altijd even leuk.
Pas liep er een jonge vrouw naar binnen. Toen ze een poosje voor het lippenbalsemrek had gestaan, want oh er zijn zoveel soorten en wil ik er nou ééntje met of zonder smaakje, kwam ze afrekenen.
Ik haalde de twee lippenbalsems langs de scanner en gaf haar het wisselgeld terug.
'Hee, zei ze, speel jij toevallig piano?' Ik keek verbaasd op. 'Ik zag een filmpje op facebook van een gemeenschappelijke vriend, en ik vond het zo ontzettend mooi! Ik heb even verder geklikt naar je profiel, en volgens mij ben jij dat, klopt dat? '
Ik voelde dat ik een beetje rood werd. 'Oh, ja, dat ben ik', zei ik stamelend, 'wat gaaf dat je het gaaf vond! We hadden een negen...'
'Echt? Zeker verdiend! Ik was ook zo onder de indruk! Echt heel mooi gedaan.'
Beduusd bleef ik achter.
De eerste persoon ooit die me herkent vanwege mijn muziek. Ik kreeg vlinders in mijn buik. Aah zo voelt dat dus. Morgen komt ze vast terug voor een handtekening.
( Met twee anderen, voor ons eindexamenmuziek, een compositie gemaakt met de naam 'luchtledig'. Het stelt het 'happen naar adem' voor. Stiekem ben ik er een beetje trots op)
zaterdag 11 februari 2012
Gadeslaan
Hij zat in de trein schuin tegenover me. We zaten buiten de klapdeuren van de reguliere coupé op uitklapbare bankjes. Met z'n vieren overbevolkten we de minimale ruimte die voor deze ondingen beschikbaar gesteld was. Mijn knieen en die van wildvreemden vormden om en om een ritssluiting. Wie er naast me zat, weet ik niet meer. Wie er tegenover me zat, geen idee. Ik herinner me alleen de man schuin tegenover me.
Het was een kleine, maar forse man. Zijn hoofd was net iets te groot voor de rest van zijn lichaam en leek opgeblazen. Vol met zorgen, plichten en verantwoordelijkheden. Diepe rimpels tekenden zijn voorhoofd, zijn frons bleek chronisch. Zijn haar was niets meer dan hier en daar wat korte blonde sprieten .Hij was kaal, toch schatte ik hem niet ouder dan een jaar of vijfentwintig. Zijn ogen lagen begraven in opgehoopt vocht, waren rood, en tuurden geconcentreerd naar een klein boekje dat hij in handen had. Krampachtig hield hij het omhoog met dikke, worstige vingers. Nagels had hij nauwelijks. Zo nu en dan bracht hij zijn vingers naar zijn mond. Even later liet hij ze weer zakken, er was niets te kluiven.
'Romeinsrechterlijke grondslagen van het Nederlands privaatrecht.' De titel van het boekje waarin hij fanatiek woorden en delen van zinnen onderstreepte. Hij moest het onthouden. Ik herkende de paniekerige manier van leren en had met hem te doen. De uiteinden van de pagina's waren groezelig, hier en daar omgevouwen tot ezelsoren. Ik bespeurde koffievlekken op de onderkant. Met een balpen bewerkte hij deze pagina's: Van Barenburg Loopbaanadviesbureau.
Schichtig las hij losse woorden. Zijn ogen flitsten heen en weer, maar kwamen niet van het papier. Hij keek niet op of om. Niet één keer hief hij zijn hoofd om het gelaat van de mensen die zo akelig dichtbij zaten, te dichtbij voor wie dan ook om zich nog op zijn gemak te voelen, in zich op te nemen. Ik vroeg mezelf af of hij dat in het dagelijks leven wel zou doen, of deed, of had gedaan, zich verdiepen in mensen.
Bij het volgende station stapte hij uit. Nog steeds zonder te weten wie er met hem in dat benauwde hokje zaten. Zijn boek bleef het middelpunt. Zelfs de riggel tussen trein en perron die die door de meeste mensen als onoverbrugbaar wordt ervaren, zette hem er niet toe zijn ogen van het papier te halen.
Ik hoopte dat hij een ander leven buiten de trein zou hebben. Anders dan hoe ik hem in dat kwartier had leren kennen. Ik nam mijzelf voor nooit zo wanhopig te worden als hij.
Het was een kleine, maar forse man. Zijn hoofd was net iets te groot voor de rest van zijn lichaam en leek opgeblazen. Vol met zorgen, plichten en verantwoordelijkheden. Diepe rimpels tekenden zijn voorhoofd, zijn frons bleek chronisch. Zijn haar was niets meer dan hier en daar wat korte blonde sprieten .Hij was kaal, toch schatte ik hem niet ouder dan een jaar of vijfentwintig. Zijn ogen lagen begraven in opgehoopt vocht, waren rood, en tuurden geconcentreerd naar een klein boekje dat hij in handen had. Krampachtig hield hij het omhoog met dikke, worstige vingers. Nagels had hij nauwelijks. Zo nu en dan bracht hij zijn vingers naar zijn mond. Even later liet hij ze weer zakken, er was niets te kluiven.
'Romeinsrechterlijke grondslagen van het Nederlands privaatrecht.' De titel van het boekje waarin hij fanatiek woorden en delen van zinnen onderstreepte. Hij moest het onthouden. Ik herkende de paniekerige manier van leren en had met hem te doen. De uiteinden van de pagina's waren groezelig, hier en daar omgevouwen tot ezelsoren. Ik bespeurde koffievlekken op de onderkant. Met een balpen bewerkte hij deze pagina's: Van Barenburg Loopbaanadviesbureau.
Schichtig las hij losse woorden. Zijn ogen flitsten heen en weer, maar kwamen niet van het papier. Hij keek niet op of om. Niet één keer hief hij zijn hoofd om het gelaat van de mensen die zo akelig dichtbij zaten, te dichtbij voor wie dan ook om zich nog op zijn gemak te voelen, in zich op te nemen. Ik vroeg mezelf af of hij dat in het dagelijks leven wel zou doen, of deed, of had gedaan, zich verdiepen in mensen.
Bij het volgende station stapte hij uit. Nog steeds zonder te weten wie er met hem in dat benauwde hokje zaten. Zijn boek bleef het middelpunt. Zelfs de riggel tussen trein en perron die die door de meeste mensen als onoverbrugbaar wordt ervaren, zette hem er niet toe zijn ogen van het papier te halen.
Ik hoopte dat hij een ander leven buiten de trein zou hebben. Anders dan hoe ik hem in dat kwartier had leren kennen. Ik nam mijzelf voor nooit zo wanhopig te worden als hij.
Abonneren op:
Posts (Atom)