maandag 26 december 2011

Pantoffels

Nadat ik een half uur levenloos in mijn bed was blijven liggen, besloot ik me toch maar op te laden om de dag te beginnen. Wie weet wie er misschien vandaag aan mij dacht. Mijn voornemen bleek zwaarder te zijn, zoals iedere ochtend. Een dag, een hele dag koste heel wat moeite. Vol met, vooraf, onoverwinnelijke obstakels. Enkele kon ik toch zelf overwinnen, andere moest de zuster voor me doen. Maar toch waagde ik de gok, wie weet wie er vandaag aan me dacht.
En natuurlijk mocht het niet vlekkeloos beginnen. Ik had mijn zware benen aan de kant van mijn bed getild, en was met respectievelijk veel gemak omhoog gekomen. Nu bleken mijn pantoffels er niet te staan. Ik raakte lichtelijk in paniek. Ik kon toch niet zonder pantoffels de kamer door. Ik zou gigantisch koude voeten krijgen, ze zouden nooit meer warm worden. Ik dwong mezelf na te gaan waar ik ze gister uit had gedaan. Ik kon me niet voorstellen dat dat niet bij mijn bed was geweest. Waar deed ik ze anders uit? Nergens! Er was niet eens een ergens, want alles was hier. Afgelopen week was ik niet de deur uit geweest. Johan was te druk geweest. Lieveke ook trouwens. Waar waren mijn pantoffels nu? Misschien waren ze onder het bed geschoven. Dat zou een ramp betekenen. Buiten mijn macht, ik zou ze nooit kunnen pakken. Ik zou niet eens voorover kunnen buigen om te kijken of ze er eventueel lagen. Wat kon ik nog wel? Ik trok mijn benen weer op en ging hulpeloos liggen te liggen.
Plotseling schoot mij iets te binnen. De andere kant van het bed! De andere kant van het bed, dat is het. Ik herinnerde mij dat er gister een nieuwe zuster was gekomen. Een andere dan eerst en zij bracht mij aan de verkeerde kant in bed. Ze begreep niet wat ik zei, of ze hoorde niet wat ik zei, of ze begreep me wel, en hoorde wel wat ik zei, maar ging er van tevoren al vanuit dat het overbodig was. Alsof ik altijd brabbel.
Ik draaide mijn hoofd, en met die draai, ging er een zucht van verlichting door me heen. Ze waren er, ze stonden er, ik kon de dag beginnen. Wie weet wie er vandaag aan me had gedacht.
Ik schuifelde langzaam naar de computer, gekregen van johan. Eerder nog dan het koffiezetaparaat zette ik de computer aan. Wie weet, wie weet wie.
Toen de koffie ingeschonken was, was de computer bruikbaar. Ik zette me met moeite neer op de stoel en deed wat Johan me geleerd had om mijn mail te openen. Wie weet wie er aan me had gedacht.
Ik dronk mijn koffie, zat daar, verwachtte niets. Ik had wel geleerd dat je dat nooit moest verwachten. Verwachten is een kwelling. Afwachten al helemaal.
Het staafje was nu helemaal groen, en ik keek, maar er bewoog niets. Het was leeg. Geen bericht. Niemand die vandaag aan mij had gedacht. Ik zuchtte, ik schoof op mijn stoel en zuchtte nog eens.
Dan hoefde ik vandaag dus ook aan niemand te denken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten