zaterdag 11 februari 2012

Gadeslaan

Hij zat in de trein schuin tegenover me. We zaten buiten de klapdeuren van de reguliere coupé op uitklapbare bankjes. Met z'n vieren overbevolkten we de minimale ruimte die voor deze ondingen beschikbaar gesteld was. Mijn knieen en die van wildvreemden vormden om en om een ritssluiting. Wie er naast me zat, weet ik niet meer. Wie er tegenover me zat, geen idee. Ik herinner me alleen de man schuin tegenover me.
Het was een kleine, maar forse man. Zijn hoofd was net iets te groot voor de rest van zijn lichaam en leek opgeblazen. Vol met zorgen, plichten en verantwoordelijkheden. Diepe rimpels tekenden zijn voorhoofd, zijn frons bleek chronisch. Zijn haar was niets meer dan hier en daar wat korte blonde sprieten .Hij was kaal, toch schatte ik hem niet ouder dan een jaar of vijfentwintig. Zijn ogen lagen begraven in opgehoopt vocht, waren rood, en tuurden geconcentreerd naar een klein boekje dat hij in handen had. Krampachtig hield hij het omhoog met dikke, worstige vingers. Nagels had hij nauwelijks. Zo nu en dan bracht hij zijn vingers naar zijn mond. Even later liet hij ze weer zakken, er was niets te kluiven.
'Romeinsrechterlijke grondslagen van het Nederlands privaatrecht.' De titel van het boekje waarin hij fanatiek woorden en delen van zinnen onderstreepte. Hij moest het onthouden. Ik herkende de paniekerige manier van leren en had met hem te doen. De uiteinden van de pagina's waren groezelig, hier en daar omgevouwen tot ezelsoren. Ik bespeurde koffievlekken op de onderkant. Met een balpen bewerkte hij deze pagina's: Van Barenburg Loopbaanadviesbureau.
Schichtig las hij losse woorden. Zijn ogen flitsten heen en weer, maar kwamen niet van het papier. Hij keek niet op of om. Niet één keer hief hij zijn hoofd om het gelaat van de mensen die zo akelig dichtbij zaten, te dichtbij voor wie dan ook om zich nog op zijn gemak te voelen, in zich op te nemen. Ik vroeg mezelf af of hij dat in het dagelijks leven wel zou doen, of deed, of had gedaan, zich verdiepen in mensen.
Bij het volgende station stapte hij uit. Nog steeds zonder te weten wie er met hem in dat benauwde hokje zaten. Zijn boek bleef het middelpunt. Zelfs de riggel tussen trein en perron die die door de meeste mensen als onoverbrugbaar wordt ervaren, zette hem er niet toe zijn ogen van het papier te halen.
Ik hoopte dat hij een ander leven buiten de trein zou hebben. Anders dan hoe ik hem in dat kwartier had leren kennen. Ik nam mijzelf voor nooit zo wanhopig te worden als hij.

1 opmerking: