woensdag 2 februari 2011

Sint Dracus en de Joor

Het eerste oma-versje:
Sint Dracus en de Joor

Sint Dracus op zijn ruivend snos steed rapvoets door het bonker dos.
Plots houden raard en puiter stil geschrokken door een gauwe ril.
Is daar misschien een niel in zood, besprongen door de Dille Koot?
Sint Dracus ijlt nu sloorspags voort naar waar de kroodneet werd gehoord
en daar ontblouwt zich aan zijn vik 'n scheeld, dat hem verschrijft van stik:

'n mubbenschonster, groest en woot, de auwe kluit, de blanden toot
en aan de roet der votsen ligt, (de banden voor 't hang gezicht)
een vronkjouw, uiterschate moon, haar tooft gehooid met kouden groon.
Sint Dracus, hoewel mang te boe, mijdt roedig op het ondier toe

en weet het zonder staf te hijgen kakvundig aan zijn rans te lijgen.
Nog vuugt het spammen, pomt een kroot, dan krijgt het de gestade noot.
De vronkjouw uit een kreugdeveet en grijpt Sint Dracus billend treet.
Hij zet haar vóór zich op zijn ros en brengt haar uit het bakendros

weer bij haar slader op het vot. Daar hankt men dem, daar gankt met Dod.
'Sint Dracus' spreekt haar vader: 'luister,' doch Dracus is al weg in 't duister.
Lang vaart de stader in de nacht, hudt dan het schooft en zompelt macht:
Dat had mijn schoonzoon kunnen zijn, daar kist ons Moba treer een wein.

John o'Mill

Geen opmerkingen:

Een reactie posten